De bekende Maleisische filmmaker Lau Kek Huat was onlangs in Nederland om de 18e editie van het CinemAsia Film Festival bij te wonen. Zijn pas uitgebrachte speelfilm “The Waves Will Carry Us” was de slotfilm van dit festival en China Times kreeg de kans hem in Amsterdam te interviewen. Voordat Lau een opleiding film maken ging volgen aan de National Taiwan University of Arts had hij bedrijfskunde gestudeerd aan de National University of Singapore en drie jaar lesgegeven op een basisschool in die stad. “The Waves Will Carry Us” is op zaterdag 16 mei om 21:00 uur en dinsdag 19 mei om 19:00 uur te zien in Filmhuis Den Haag, in het kader van CinemAsia on Tour.

Waarom besloot u om aan de National Taiwan University of Arts de filmopleiding te gaan volgen?
Ik had in het begin helemaal geen ambitie om regisseur of filmmaker te worden. Maar veel van mijn leraren op de middelbare school kwamen uit Taiwan en die vertelden me altijd er in Taiwan, in tegenstelling tot Maleisië en Singapore, geen censuur op films, publicaties en boeken is. Ze vertelden ons dat er in Taiwan vrijheid van meningsuiting is, dat daar bijvoorbeeld campagne wordt gevoerd voor verkiezingen. Om dat zelf te kunnen ervaren, vatte ik het plan op om een paar jaar in Taiwan te gaan wonen en studeren. Ik ging dus niet naar Taiwan met het plan om filmmaker te worden. Ik ontdekte dat er in Taiwan verschillende studierichtingen waren die we toen nog niet hadden in Singapore en Maleisië, zoals Chinese filosofie, speciaal onderwijs en andere sociale wetenschappen. In Maleisië en Singapore is de generatie van onze ouders erg pragmatisch: je gaat techniek, informatica of bedrijfskunde studeren, zodat je direct na je studie goed in je levensonderhoud kunt voorzien. Toen ik zag dat er een studie film maken was, heb ik me daarvoor aangemeld. Ik wist toen nog niet veel van films, maar ik dacht: waarom zou ik het niet gewoon proberen? Zo kwam ik terecht bij de filmopleiding van de NTUA. Daar leerde ik over filmklassiekers, verschillende soorten films en het maken van films. Uiteindelijk ben ik mijn eigen films gaan maken en ben ik filmmaker geworden.
Was u daarvoor wel geïnteresseerd in films?
Toen ik naar Taiwan ging, had ik niet eens een camera met één lens. Maar in Maleisië werden er ‘s avonds laat bijvoorbeeld op tv Iraanse films uitgezonden. Maleisiërs kijken graag naar verschillende soorten films. ‘s Middags zijn er Bollywood-films, ‘s avonds films uit Hongkong of Taiwan en Maleisische films, en ‘s nachts laat dus Iraanse films. Wij zien die films trouwens niet als arthouse- of bioscoopfilms. Het zijn gewoon films. Toen ik in Singapore woonde kwam voor het eerst in aanraking met onafhankelijke arthouse-films. Pas toen ik in Taiwan kwam leerde ik allerlei filmgenres goed kennen. Ik wist in het begin niet eens wie Hou Hsiao-Hsien was. Pas toen anderen me erop wezen besefte ik dat hij een beroemde Taiwanese filmmaker is. Uiteindelijk werd juist hij mijn mentor tijdens mijn studie.

Kunt u iets vertellen over de korte films die u aan het begin van uw carrière hebt gemaakt? Was u in die periode al bezig met de voorbereiding van uw latere werken, zoals “Absent Without Leave”?
“Absent Without Leave” is mijn eerste documentaire. Toen ik naar de filmschool ging, was ik 27 jaar oud. De meeste van mijn klasgenoten waren 18-jarige Taiwanezen. En omdat er in Taiwan veel filmfestivals zijn, wisten zij veel meer van films dan ik. En ze kenden allemaal de grote regisseurs. En velen van hen droomden ervan om regisseur te worden. Ze maakten korte films voor hun studie, en ik hielp vaak mee aan hun projecten. Op een dag besloot ik het zelf eens te proberen en een script te schrijven. Mijn eerste korte film heeft als titel “Rat” en gaat over een vrouw die problemen ondervindt met een abortus, en ook nog eens een rat in haar appartement heeft. Ik had mijn studie nog niet afgemaakt, maar moest stoppen omdat al mijn spaargeld op was. Daarom ging ik terug naar Singapore om in de tv-productie te werken, bij het maken van reclames en tv-programma’s. Maar toen begon mijn eerste korte film, “Rat”, prijzen te winnen in Taiwan. Dankzij het geld dat ik met “Rat” gewonnen heb kon ik terugkeren naar Taiwan om mijn studie af te maken.
Daarna heb ik mijn eerste documentaire gemaakt, “Absent Without Leave”. Het is een documentaire over mijn zoektocht naar mijn grootvader. Ik ben opgegroeid zonder te weten wie hij was. We hadden alleen een portret van hem, dat opgerold achter de kookkachel verstopt lag. Het was een soort taboe in mijn familie. Alleen tijdens het Qingming-festival haalde mijn grootmoeder het portret tevoorschijn en zei ze tegen mij: “Je moet voor deze man bidden.” Pas later, toen ik ouder werd, hoorde ik van mijn ouders dat dit mijn grootvader was en begreep ik waarom we zijn naam niet mochten noemen. Hij was lid van de Maleise Communistische Partij (MCP). In Maleisië mag je niet over de MCP praten. Ik ben voor de documentaire naar Thailand en China gegaan, om mensen te ontmoeten die mijn grootvader hebben gekend, die misschien ooit met hem hadden gesproken of samen met hem hadden gevochten. Zo verzamelde ik het beeldmateriaal voor mijn eerste documentaire, “Absent Without Leave”.
Maar toen ik “Absent Without Leave” wilde uitbrengen, werd hij in Maleisië verboden. Pas toen besefte ik me dat er censuur is in Maleisië. Daarvoor wist ik niets van censuur. Ik probeerde mezelf helemaal niet als een controversiële regisseur neer te zetten. Ik wilde gewoon weten wie mijn grootvader was. Het was eigenlijk de bedoeling dat “Absent Without Leave” de openingsfilm zou zijn op het Malaysia International Film Festival. Toen dat groots in het nieuws kwam, besliste de overheid dat mijn film nergens in Maleisië vertoond mocht worden. Zelfs niet op internet. Maar daar vonden we iets op. Precies op de datum en tijd dat “Absent Without Leave” op het festival vertoond zou worden, zond ik hem met hulp van anderen op internet uit, via Vimeo, YouTube en Dailymotion. Het lukte de overheid om een aantal links te blokkeren, maar we hadden al een andere set links klaargezet. Zodra we wisten dat bepaalde links geblokkeerd waren, uploadden we nieuwe. Veel mensen in Maleisië hebben de film zo toch kunnen zien. Door zaken te verbergen kun je er niet voor zorgen dat mensen dingen niet weten, ze hebben hun eigen herinneringen.
Als je bepaalde maatschappelijke kwesties of gebeurtenissen aansnijdt, krijg je te maken met censuur. “The Waves Will Carry Us” is de eerste film die wel door de censuur is gekomen en in Maleisië kan worden vertoond, weliswaar met zes cuts vanwege censuur. Mijn vorige speelfilm telde maar liefst 27 cuts. Of eigenlijk 28, want uiteindelijk werd hij helemaal verboden. Daardoor zien veel mensen mij als een lastige filmmaker, en is het voor mij heel moeilijk om mijn films gefinancierd te krijgen, zelfs mijn laatste film “ The Waves Will Carry Us”.
In een interview in 2017 zei u dat het misschien nog 10 jaar zou duren voordat u uw eigen gevoelens ten opzichte van de film echt zou kunnen verwerken en begrijpen. Dat is nu bijna 10 jaar geleden. Hoe kijkt u nu naar de film?
Dat was toen ik “Absent Without Leave” net had uitgebracht. Als je naar mijn films kijkt, zie je dat ze met elkaar verbonden zijn. In het begin, toen ik “Absent Without Leave” maakte, deed ik alles heel instinctief. Het was niet zo van: ik moet hier een documentaire van maken. Het was meer: ik wil gewoon weten wie mijn grootvader is. Nadat ik mijn eerste film had gemaakt, besefte ik dat er over heel veel zaken in Maleisië niet gesproken wordt. Toen realiseerde ik me dat geschiedenisboeken gebaseerd zijn op mythes. Ik vroeg me af: hoe komt het dat we in die dingen geloven? Het zette me aan het denken en gaf me veel ideeën voor mijn volgende films. Dus ik blijf vragen stellen aan de autoriteiten. Waarom verbergen jullie dit? Waarom verbergen jullie dat? En op een bepaalde manier, zelfs in mijn speelfilm “ The Waves Will Carry Us”, blijf ik dat soort vragen stellen.
Toen ik “Absent Without Leave” ging maken, toen begon ik met de vraag: “Waar is mijn thuis?” Toen ik opgroeide in Maleisië, zeiden mijn ouders altijd tegen me: “Wij (de etnische Chinezen in Maleisië – red.) zijn hier tweederangsburgers. Wij zijn geen Maleisiërs. We hebben geen volledig burgerschap.” We werden behandeld als nieuwkomers, als buitenstaanders. Dat was heel verwarrend voor mij als kind. Je begrijpt het niet: “Wat heb ik verkeerd gedaan? Waarom ben ik geen volwaardig burger?” Op school zeiden de leraren: “Je moet patriottisch zijn, van je land houden, van de koning houden.” Maar als zij niet van mij houden, waarom zou ik dan van het land moeten houden? En dan is de vraag, kunnen we deze plek wel echt ons thuis noemen? Toen ik “Absent Without Leave” aan het maken was, ontmoette ik al die oude kameraden, die zogenaamd linkse mensen. Toen ze voor Maleisië vochten, hadden ze niet eens het staatsburgerschap. Het verbaasde me echt hoe hard die oudere generatie voor dit land heeft gevochten.
Misschien vochten ze voor de mensen. Niet voor een bepaald concept van een land.
Ze hadden eigenlijk geen concreet idee van wat een land inhield. Meestal ging het bij linkse mensen in die tijd meer om de strijd tegen de kolonisator. Daarom waren de arbeiders verenigd. Zoals mijn grootvader, die niet echt hoogopgeleid was. Hij was gewoon een arbeider. Hij sloot zich aan bij de communisten omdat het Britse leger zich terugtrok zonder de bevolking te waarschuwen toen Japan tijdens de Tweede Wereldoorlog Maleisië binnenviel. De bevolking moest zichzelf maar redden. Daarom sloten mensen zich bij het verzet aan. Maar het verbaasde me toch dat er een generatie mensen was die echt wilde vechten. Vaak waren dat jonge mensen, die op een bepaalde manier gepassioneerd waren. Ik denk eerlijk gezegd dat ze het communisme niet echt begrepen toen ze zich aanmeldden. Veel jonge vrouwen sloten zich bijvoorbeeld om een meer feministische reden aan. In de Chinese samenleving bepaalt de vader vaak met wie zijn dochter trouwt. Maar het verzetsleger zei: “Als je je bij ons aansluit, mag je zelf je partner kiezen. Je mag zelf kiezen met wie je wilt trouwen.” Het is moeilijk voor te stellen tegenwoordig, maar destijds voelden veel jonge vrouwen zich hierdoor aangetrokken en meldden ze zich daarom aan bij het verzetsleger. Voor hun vrijheid. Maar door de propaganda van de overheid denken we tegenwoordig dat het allemaal communisten waren. Maar dat is niet zo, hun motivatie was veel menselijker, persoonlijker.

In 2024 kwam uw documentaire “From Island To Island” uit en won prijzen in Taiwan. Bestond er een risico dat deze documentaire in Taiwan verboden zou worden?
In Taiwan is geen censuur meer, alleen een filmclassificatie. In principe kan een film volgens de wet niet verboden worden. De film heeft zelfs financiering gekregen van het Taiwanese ministerie van Cultuur, wat best verrassend is. Toen ik de film in Japan vertoonde, vroegen ze me allemaal hoe het mogelijk was dat ik financiering van de overheid kreeg voor een documentaire waar ze misschien niet blij mee zouden zijn. Maar de academische wereld in Japan is nogal links georiënteerd als ze het hebben over de naoorlogse herinnering en hoe Japan daarvoor verantwoordelijk zou moeten zijn. In Taiwan zijn dat soort discussies volkomen nieuw. Ze horen hier pas 80 jaar later over. Natuurlijk zijn er mensen die me in twijfel trekken door te zeggen: “Jij bent geen Taiwanees. Je bent een Maleisiër. Waarom kom je onze geschiedenis opgraven?” Zulke mensen zijn er, maar er zijn ook jongeren die hier juist meer over willen weten, ernaar willen kijken en proberen de herinnering levend te houden. Ik denk dat het tijd kost voor de Taiwanese samenleving om dit te begrijpen. Mijn taak is om door te gaan en te blijven provoceren. Zo vroeg ik de directeur van het National Museum of History: “Waarom wordt er geen aparte tentoonstelling aan dit deel van de geschiedenis gewijd? Dit is onderdeel van de geschiedenis van Taiwan. Je zou het niet moeten ontkennen.” De meeste mensen doen er het zwijgen toe en geven me geen antwoord. En nu komen er steeds meer verhalen, of de waarheid zo u wilt, naar buiten. De maatschappij zal er een plek aan moeten geven.
In de film ‘The Waves Will Carry Us’ is er een verhaal over een Maleisiër dat is gebaseerd op mijn eigen ervaringen in Taiwan. Als je bloed wilt doneren, mag dat niet als je alleen een verblijfsvergunning hebt. In de film vraagt die Maleisiër: “Waarom mag dat niet? En mag dat wel als ik uit Amerika of Japan zou komen?” Wat ik hier wil vragen is: heeft de Taiwanese samenleving een soort superioriteitsgevoel ten opzichte van Zuidoost-Azië? Is er sprake van discriminatie jegens Zuidoost-Aziaten? En dat lijkt veel mensen in Taiwan te irriteren. Ze denken: “We verwelkomen jullie in ons land, waarom behandelen jullie ons dan zo?” Maar ik denk dat dit een vraag is die we moeten stellen. Er werken immers veel immigranten in Taiwan, afkomstig uit Zuidoost-Azië, de Filipijnen en Indonesië. Het huidige systeem behandelt hen niet eerlijk. Als Taiwan een democratisch land wil zijn, moeten we dit soort vragen kunnen stellen. Dat is de reden waarom ik ervoor heb gekozen om in Taiwan te blijven.
Toen ik “From Island to Island” ging maken, ontdekte ik dat er een groep Taiwanezen was die al vóór de Tweede Wereldoorlog in Zuidoost-Azië woonde, omdat ze daar met iemand getrouwd waren of daar zaken te deden. Omdat ze Taiwanees waren, werden ze na het uitbreken van de oorlog als vijand beschouwd door kolonisatoren, zoals de Nederlanders en de Britten. Ze werden gedeporteerd en al hun bezittingen werden geconfisqueerd. Veel families werden naar Australië of India gestuurd en daar vastgezet in een interneringskamp. Ik interviewde die ouderen, maar tegelijkertijd deed ik ook onderzoek naar de rol van Taiwanezen in de oorlog. Als Maleisiërs hoorden we wel over de wreedheden van het Japanse leger, maar wij wisten niet dat er ook Taiwanezen in het Japanse leger zaten. Tijdens mijn onderzoek probeerde ik te achterhalen wanneer en waarnaartoe de Taiwanezen werden uitgezonden, en toen bleek dat zij ook bij massamoorden waren betrokken. Zo werd de documentaire met vijf uur veel langer dan de oorspronkelijk geplande tweeënhalf uur.
De leden van de verschillende commissies die betrokken waren bij de financiering waren geschokt toen ik het eerste concept inleverde. Ze dachten dat het over Taiwanezen in het buitenland zou gaan. Ze beseften het niet dat er Taiwanese soldaten betrokken zijn geweest bij die wreedheden. Ze eisten dat ik alles wat ik beweerde moest bewijzen. Zolang ik dat kon, konden ze me niet tegenhouden. Maar ik moet toegeven dat ik nu niet zo welkom ben in Taiwan. Ik krijg veel meer uitnodigingen uit Japan.

‘The Waves Will Carry Us’ is uw tweede speelfilm. De film heeft al één prijs gewonnen en vier nominaties ontvangen bij de Golden Horse Awards. Nu is het de slotfilm van het CinemAsia Filmfestival 2026. Is uw andere werk al eens vertoond op CinemAsia of andere festivals zoals het IDFA in Amsterdam of het IFFR in Rotterdam?
Nee, ik denk dat dit de eerste keer is dat een film van mij in Nederland wordt vertoond. Ik ben ook voor het eerst te gast bij CinemAsia.
Bent u van plan om in de nabije toekomst meer speelfilms of documentaires te maken?
Mijn routine is altijd een paar documentaires maken, en dan een speelfilm. Ik zie documentaires als een manier om meer onderzoek te doen, als veldwerk. Ik probeer te voorkomen dat ik van tevoren te veel een voorstelling maak van mensen. Ik probeer mensen eerst te ontmoeten voordat ik hun verhalen ga schrijven. Mijn volgende project wordt een documentaire. Maar tegelijkertijd schrijf ik ook aan mijn volgende speelfilm. En die is vrij gerelateerd aan de documentaire waarover we het net hadden, “From Island To Island”. Het zal weer een uitdagende film zijn voor zowel de Taiwanese als de Maleisische maatschappij. Ik zie het als mijn plicht om de maatschappij ter discussie te stellen. Ik maak geen commerciële entertainmentfilms, vragen stellen is wat we moeten doen. Dat is in feite de traditie van de Taiwanese New Wave.
Zijn er meer regisseurs zoals u?
Ik denk dat we tegenwoordig te comfortabel zijn. Toen ik jong was, was de filmcensuur in Taiwan erg streng. Toen probeerden de filmmakers met hun werk moeilijke vragen te stellen. Het is niet zo dat er tegenwoordig geen maatschappelijke problemen zijn, die zijn er wel degelijk in de Taiwanese samenleving, maar er worden geen vragen gesteld. Ik weet eigenlijk niet waarom. Voor mij maakt het niet veel verschil. Je moet je afvragen welke vraag je wilt stellen. Soms is een documentaire een geschikter medium, soms een speelfilm. Als je meer mensen wilt bereiken, is een speelfilm natuurlijk veel beter. Maar dan moet je wel met het verhaal spelen en dat een beetje aanpassen.
Er is een levendige, diverse, soms gecompliceerde Chinese gemeenschap in Nederland. Zou u geïnteresseerd zijn in het maken van een documentaire over de Chinese gemeenschap hier, of in een ander niet-Aziatisch land?
Natuurlijk ben ik daarin geïnteresseerd. In de film ‘The Waves Will Carry Us’ komt de vraag “Waar is thuis?” aan bod. Alle generaties Chinezen koesteren die nostalgie naar hun thuisland, naar China. Ze geloven dat we ooit terug moeten naar China. Maar voor de jongere generatie, zoals ik, is thuis een plek waar je jezelf kunt ontplooien. Ik heb ervoor gekozen om in Taiwan te blijven vanwege de vrijheid van meningsuiting. Omdat ik in Taiwan woon, kan ik veel documentaires maken. Als ik in Maleisië zou blijven, zou ik het niet redden. Dus nu is Taiwan mijn thuis. Ik denk dat thuis de plek is waar je je waarde kunt realiseren. Dus het antwoord op je vraag: ik ben natuurlijk geïnteresseerd in verschillende plekken. Ik zie het niet als een noodzaak om in Taiwan te zijn, of ergens waar ik nodig ben of geld kan verdienen. Maar eerlijk gezegd weet ik niet veel over de Chinese gemeenschap in Nederland. Het kost tijd voordat je een gemeenschap begrijpt, want het is ingewikkeld. Zijn er trouwens filmmakers uit de Chinese gemeenschap in Nederland?
Ja. Onlangs ging er een interessante film in première, “More Than Babi Pangang”. Die gaat onder andere over de plaats van de Chinese gemeenschap in Nederland en hoe Chinezen in Nederland worden behandeld en gediscrimineerd. Hij wordt ook vertoond op CinemAsia. De regisseur is Julie Ng.

